New Recordings

Writings

Portrait of Marcel Poot
July 30 2009

Marcel Poot werd geboren te Vilvoorde op 7 mei 1901.
Binnen de familie Poot heerste een levendige belangstelling voor kunst en cultuur.   Vader Jan Poot werd in 1920   directeur van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg te Brussel  en was een hartstochtelijk muziekliefhebber.  Hij speelde klarinet in de plaatselijke ‘Harmonie Royale’, waarvan hij ook voorzitter was en  Marcel Poot mocht er af en toe de pauken slaan.
De twee marsen ‘Défilé Royal’ en ‘Nuptial March’ zijn twee ongedateerde marsen voor harmonieorkest uit zijn jeugdjaren.
De mars ‘Défilé Royale’ is een plechtige symfonische mars in de klassieke ABA-vorm opgedragen aan zijn vader  met een opmerkelijke solo voor de pauken in de slotmaten.
De ‘Nuptial March’ is opgedragen aan Franz Helsen en is een mars met een meer opgewekt en optimistisch karakter.

Zijn eerste muzieklessen kreeg Marcel Poot van de plaatselijke organist Gérard Nauwelaerts.  Nadien werd hij aanvaard als leerling aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Brussel waar hij  van 1916 tot 1919 de lessen volgde van notenleer bij M.Kips, kamermuziek, muziekgeschiedenis, harmonie bij Martin Lunssens en Paul de Maleingreau,  José Sevenans en piano bij Arthur De Greef.

Dé grote ontmoeting in het leven van Marcel Poot was Paul Gilson (1865-1942), hij volgde bij Gilson privé-lessen contrapunt, fuga en vooral compositie en orkestratie.
Poot had toen al vier jaar conservatorium gevolgd en het was Gilson die hem in het componeren heeft ingewijd.    Om ook een officieel diploma te bezitten trok hij naar het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium te Antwerpen  waar hij de  diploma’s behaalde voor contrapunt (1922) in de klas van Lodewijk Mortelmans en fuga (1924).  Zijn eerste volgroeide  composities waaronder  Dionysos (1923)  dateren uit zijn studietijd te Antwerpen.
De bacchanale ‘Dionysos’ is zowel qua vorm als muzikale inhoud een opmerkelijk werk uit zijn jeugdjaren.  Deze bacchanale evoceert op een schitterende wijze de burleske taferelen van optochten en feestmaaltijden uit de Griekse oudheid.  De orgieën van de bacchanten worden zeer treffend muzikaal uitgebeeld door middel van slechts enkele markant getekende thema’s.  In zijn eerste werken voor blaasorkest  volgt Poot de voorbeelden van Paul Gilson.   Paul Gilson was vooral qua vormgeving (vooral bij het thematisch denken)  en orkestratie een voorbeeld.   Poot werd Gilson’s geestelijke discipel : een waardige zoon als opvolger voor de ‘vader van de Vlaamse blaasmuziek’.

In september 1925 stichtte Poot samen zes andere leerlingen van Paul Gilson de ‘Groep der Synthétisten’ naar aanleiding van de 60ste verjaardag van hun leermeester.  De reden voor de oprichting was niet alleen deze verjaardag maar ze hoopten door zich te verenigen vooral meer kansen af te dwingen om hun nieuwe werken uitgevoerd te krijgen.
Een eerste actie van de synthétisten was het oprichten  in 1925 van een eigen muziektijdschrift, ‘La Revue Musicale Belge’ waarvan Poot de hoofdredacteur was.
Hun samenwerking duurde een zestal jaar en werd aangemoedigd door onder andere Arthur Prevost (dirigent van de Muziekkapel van de Gidsen, het enige professionele orkest in ons land in die periode).
Hun samenwerking met ‘de Gidsen’ kwam er ook op aandringen van  Paul Gilson die zijn leerlingen aanspoorde om voor harmonieorkest te componeren en sommige van hun werken te transcriberen voor harmonieorkest.
Op het eerste Gidsenconcert van 21 juni 1927 met muziek van de synthétisten stond o.a. het derde deel uit  ‘Charlot’ van Marcel Poot op het programma.  Tijdens de ‘Concerts Populaires’ van 1926 in de Muntschouwburg hadden de Gidsen ‘Charlot’ reeds volledig uitgevoerd.   Deze concerten waren het vertrekpunt van Poot’s  carrière als componist.
Deze drie symfonische schetsen zijn geïnspireerd op de films van Charlie Chaplin en getoonzet  naar een korte inhoud van Georges Ramon.
De ondertitels van dit  symfonisch gedicht zijn : Attitudes, Struggle for Life en  Les dieux s’inclinent
Charlot is ritmisch zeer ingenieus opgebouwd en brengt alle mogelijke klankkleuren van een groot harmonieorkest naar boven.  De orkestratie getuigt van een zeer bedreven vakkennis en verraad invloeden van Igor Stravinsky en Richard Strauss.


Stilaan was Poot in staat om zich  los te maken  van de romantiek en richtte hij zich naar een Latijnse helderheid en zelfs naar de jazz.  Hij stond weigerig tegenover lyrisme en sentimentalieit, zijn middel hiertegen was het aanwenden van constructieve, objectieve vormen en het wapen van de ironie.
Vrij vlug is hij echter overgeschakeld naar de absolute muziek met zowel verstrooiingsmuziek (veel van zijn kamermuziekwerken) als expressief geladen klankbeelden (waarvan zijn symfonieën de meest typerende voorbeelden zijn).

Toen hij in 1930 de Rubensprijs won liet dit hem toe om drie maanden  te gaan studeren in Parijs waar hij de lessen volgde  van Paul Dukas.
Na zijn terugkeer  uit Parijs kwam Marcel Poot in het muziekonderwijs terecht, eerst in het dagonderwijs te Vilvoorde en Halle .
Toen in Vilvoorde de muziekacademie werd opgericht werd hij er leraar piano, notenleer en muziekgeschiedenis.

In 1933 ging Marcel Poot  naar de radio wat voor hem een hele promotie was in zijn sociale situatie.  Hij werd  als eerste benoemd als musicus-modulator en werd er later diensthoofd.  Hij  werkte er  nauw samen met Théo Fleischman,  beiden hadden belangstelling voor de nieuwere en moderne uitdrukkingsvormen zoals het luisterspel.
Door zijn werk bij de radio begon hij zich ook te interesseren voor de filmmuziek.
In de periode tussen zijn eerste symfonie (1929) en zijn tweede symfonie (1938) componeerde Poot een dozijn orkestwerken.  Van deze meestal ééndelige werken werd zijn ‘Vrolijke Ouverture’ uit 1930 zijn bekendste werk.
De  ‘Ouverture Joyeuse’ werd ook in het buitenland het meest uitgevoerde 20ste eeuwse orkestwerk van een Vlaams componist.
Weinig componisten werden omwille van één enkel werk met zoveel vleiende epiteta overstelpt als Marcel Poot. Steeds valt men terug op dit eenzijdige aspekt van zijn muzikale taal, zijn schalkse toon bestempelde hem voor de rest van zijn leven als de ‘Uilenspiegel van de Vlaamse muziek’.


Bij de radio maakte hij ook kennis met dirigent Franz André, de
bezieler van het ‘Symfonieorkest van het NIR’.  In 1967 componeert Marcel Poot voor hem  een ‘Fanfare pour Franz André’ voor drie trompetten en drie trombones’.  De ‘Fanfare pour la Victoire’ voor groot koperensemble dateert wellicht ook uit zijn radio-periode.
In 1939 werd hij als  leraar benoemd aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Brussel, eerst als leraar praktische harmonie (1939-1940)  en daarna (van 1940 tot 1949) als leraar contrapunt.
Hij schreef ook veel artikels en recenties voor Belgische en buitenlandse kranten en tijdschriften.
Zijn  ‘Mouvement symphonique’ volgt de vorm van een eerste deel van een klassieke symfonie.  Een langzame inleiding wordt gevolgd door een ‘Allegro’ gebaseerd op twee hoofdthema’s.  Het ontwikkelingsdeel wordt onderbroken door een ‘moderato’ met een expressief karakter.  Hij componeerde dit werk in 1938 in opdracht van de ‘Socièté Les Chasseurs’ van Binche naar aanleiding van hun 100-jarig bestaan.

Na de oorlog kwam Poot opnieuw bij de radio terecht waar hij tot 1949  diensthoofd  was.
Hij was vanaf 1945 ook voorzitter van de jury bij audities van het NIR.  Hij nam ontslag bij de radio in 1949 toen hij directeur werd van het Brusselse Conservatorium (tot 1966).
Weldra volgen de symfonische werken elkaar weer op en spitst Poot zich voornamelijk toe op de instrumentale muziek.
Marcel Poot  werd  lid van het Muziekcomité bij het Ministerie van Openbaar Onderwijs, lid van de Nationale Raad voor volksopleiding,  voorzitter van de Raad van Bestuur van  SABAM (van 1949 tot 1977).
Hij was lid van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België.  Hij werd voorzitter van de Unie der Belgische componisten en voorzitter van de jury van de Koningin Elisabethwedstrijd.
Hij was ook rector aan de Muziekkapel Koningin Elisabeth te Argenteuil van 1969 tot 1976.
In 1968 kreeg hij van het Ministerie van de Nederlandse Cultuur de vijfjaarlijkse prijs ter bekroning van een loopbaan.
De oudere Poot voelt zich met regelmaat aangetrokken tot het symfonische genre.
Binnen een tijdspanne van twaalf jaar zou hij nog vier symfonieën afwerken.
en enkele rijpe symfonische werken die mekaar met regelmaat opvolgden.  De stijl van Poot verandert nu niet meer, hij heeft een eigen objectieve, bijna zakelijke en nuchtere taal gevonden.  Ze is emotioneel veel meer gereserveerd en steeds gekoppeld aan een grote zin voor vorm.
In 1984 wordt hij in de adelstand verheven tot ‘Baron Marcel Poot’.

Marcel Poot zou gedurende zijn hele leven een hechte vriendschap onderhouden met Herman Teirlinck.  In 1954 componeerde hij  een ‘Ere-fanfare voor Herman Teirlinck’ voor 11 koperblazers en slagwerk.
Op latere leeftijd wist Marcel Poot zich nog te interesseren voor de opkomende brassbandbeweging in Vlaanderen.  Hij werd niet alleen ere-voorzitter van de Vlaamse Brassbandfederatie maar componeerde ook twee werken voor deze voor hem nieuwe orkestvorm.  In 1978 componeerde hij  ‘Vrolijkheid in Brass’ in opdracht van de VBBF en in 1979 een  ‘Intrada’ in opdracht van BRT1.
Tot zijn dood bleef hij (zijn motto ‘inspiratie is werken’ indachtig)  componeren voor blaasorkest.   ‘Fantasia Concertante’ (1978) en ‘Diptiek’ (1984) zijn twee van zijn latere werken voor harmonieorkest.
Marcel Poot overleed op 12 juni 1988.