Writings
- Portrait of August De Boeck
- July 30 2009
Jilianus Marie Augustinus De Boeck werd geboren op 9 mei 1865. Zijn vader was toen 38 en zijn moeder 44, het oudershuis was in de onmiddellijke omgeving van de dorpskerk van het Vlaams-Brabantse Merchtem gelegen.
Zoals elke andere dorpsjongen volgende de jonge ‘Gust’ de plaatselijke lagere school. Zeer waarschijnlijk ontving de jonge August zijn eerste muzieklessen van zijn vader die aanvankelijk in hem een opvolger zag als organist te Merchtem.
Af en toe mocht August ook naar Opwijk om lessen te nemen bij de toenmalige organist Benoit Vereertbrugghen (1838-1883). Deze Vereertbrugghen had een eerste prijs orgel van het Brusselse Conservatorium en was ook piano-leraar aan de kostschool Lindemands te Opwijk.
Ook van Jozef Vasteravendt (1835 - ?) ontving August lessen.
In 1880 zou August De Boeck geregeld muziekonderricht ontvangen hebben aan het Koninklijk Muziekconservatorium van Brussel. Achtereenvolgens behaalde hij daar o.a. een eerste prijs orgel (1884), een eerste prijs geschreven harmonie (1885) en in 1887 een eerste prijs contrapunt (1889) en het virtuositeitsdiploma voor orgel in 1891.
Hij volgde er de orgellessen van Alphonse Mailly (1833-1918) die ook verbonden was aan de kerk der Ongeschoeide Carmelieten van 1869 tot 1897. Drie jaar later zou De Boeck hem daar als organist opvolgen.
In 1892 wordt De Boeck toegelaten tot de lessen praktische harmonie bij Gustave Sandré, geschreven harmonie volgde hij bij Joseph Dupont (1838-1899). In 1884 krijgt hij de toelating om de lessen contrapunt te volgen bij Ferdinand Kufferath (1811-1896).
In september 1889 werd hij van de leerlingenlijst van het Conservatorium te Brussel afgeschreven. Hij was ondertussen reeds als monitor voor orgel aangesteld op 15 september 1886 om zijn leraar Mailly bij te staan. Enkel de beste leerlingen kwamen voor deze opdracht in aanmerking en alles wees erop dat hij later Mailly als titularis van de orgelklas zou opvolgen.
In 1899 leerde hij ook Paul Gilson kennen die in dat jaar de ‘Prix de Rome’ had gewonnen. Gilson spoorde De Boeck aan om opnieuw te gaan studeren en op zijn aanraden ging hij orkestratie studeren.
Na zijn orgelstudies zocht August De Boeck een gelegenheid om zelf wat geld te verdienen en om die manier zijn vader te ontlasten.
Zo begon hij privélessen te geven en verving hij Benoit Vereertbrugghen in de kostschool Lindemans te Opwijk als pianoleraar.
In deze periode componeerde hij kleine gelegenheidswerken voor de school waaronder de kindercantate ‘Veld en Stad’ (1891) die ter gelegenheid van de prijsuitdelingen werden uitgevoerd. Onder zijn eerste werken vermelden wij ook nog een ‘Serenade’ voor piano, een ‘Ave Maria’ en een ‘Drinklied’ uit 1886. In de periode 1888-1890 componeerde hij naast een zevental liederen ook het groter opgevatte ‘Vaderland’ voor vierstemmig mannenkoor.
In de jaren 1890 lijkt De Boeck als componist plots ‘gelanceerd’.
Op 26 februari 1892 stierf vader De Boeck en tijdens de zitting van de kerkmeester op 6 maart 1892 wordt August als tijdelijk opvolger benoemd wat hij tot 1895 zal waarnemen.
Op 10 juli 1894 wordt De Boeck ook organist aan de Sint-Bonifaciuskerk te Elsene waar hij tot 1920 zal blijven.
Naast zijn inkomen als organist genoot hij ook van de opbrengsten van zijn private muzieklessen (piano) en menige familie in Merchtem was fier om De Boeck als pianoleraar te hebben.
In 1900 werd hij nog organist bij de Ongeschoeide Carmelieten te Brussel. Voor deze kerk heeft hij menige werken geschreven.
Mettertijd zal De Boeck zich ook meer en meer in Brussel vestigen en hij komt er in aanraking met de ‘Vlaamse’ middens rond Emmanuel Hiel.
Compositorisch was de periode 1893-1896 zeer vruchtbaar en zagen ook grotere composities het licht. De ‘Dahomeese Rhapsodie’, gedateert op juli 1893 werd nadien zijn bekendste werk. Andere werken uit deze periode zijn de ‘Marche Inaugurale’ (1894) voor groot orkest en de toneelmuziek voor ‘La Chevalière d’Eon’ (1894). In 1895 componeerde De Boeck de balletmuziek voor ‘Cendrillon’ waarvoor Paul Gilson het scenario schreef. Nog in 1895 componeerde hij toneelmuziek en liederen bij het drama ‘Kerlenbloed’en de ‘Baron d’Hoogvorst-cantate’.
In 1896 componeerde hij zijn ‘Mis in B dur’, zijn beroemde ‘Symfonie in g’ en de balletmuziek bij ‘La Phalène’ (De Nachtvlinder).
De Boeck is 31 jaar geworden, heeft een vaste betrekking en zal stilaan bekendheid beginnen te verwerven.
Hij componeerde ook theatermuziek bij ‘Africa’ en toneelmuziek bij ‘De Boerenkrijg’. In 1898 componeerde hij ook zijn ‘Boerenkrijgcantate’.
Zijn eerste opera ‘Théroigne de Méricourt’, een stuk in twee bedrijven werd voor het eerst opgevoerd op 22 januari 1901 in de Vlaamse Opera (toen nog Nederlandsch Lyrisch Tooneel) te Antwerpen. Een jaar later wordt zijn sprookjesopera ‘Winternachtsdroom’ voor het eerst uitgevoerd. Deze opera beleefde achteraf een verdiend succes en werd in verschillende schouwburgen hernomen.
In deze periode is De Boeck nog steeds monitor of ‘bijgevoed leraar’ orgel aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Brussel. Wanneer in 1901 na het overlijden van J.Callaerts de plaats van orgelleraar vrijkomt aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium te Antwerpen stelt De Boeck zich kandidaat maar hij wordt niet benoemd.
In 1902 komt ook de plaats van Mailly te Brussel vrij en stelt De Boeck zich kandidaat om zijn gewezen orgelleraar op te volgen. Tot ieders verwondering wordt er een speciale proef ingericht achter gesloten deuren en wordt na de proef Alphonse Desmet benoemd. De Boeck was hierin zeer teleurgesteld en zou zich nadien minder gaan toeleggen op het orgelspelen.
In de periode 1902-1909 onstonden nog de ‘Fantaisie’ voor kopers en slagwerk gedateerd april 1902, een ‘Mis in C dur’ en heelwat liederen. In 1904 begint De Boeck te componeren aan zijn derde opera ‘De Rijndwergen’. In 1905 beïndig hij zijn ‘Onze Lieve Vrouw ter Nood’ cantate voor de jubelfeesten te Merchtem. Op 9 januari 1909 werd ‘Reinaert de Vos’ gecrëerd in de Koninklijke Vlaamse Opera te Antwerpen. De cantate ‘Vliegt de Blauwvoet’ is ontstaan in 1908 en in 1909 componeerde hij heel wat pianomuziek (Nocturne, Scherzando, Wals en Lied).
In deze periode is August De Boeck’s faam werkelijkheid geworden en volgt hij Paul Gilson (die inspecteur wordt van het Vlaams muziekonderwijs) op als leraar harmonie en fuga aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Antwerpen.
Tijdens de eerste wereldoorlog werd hem het directeurschap aangeboden van het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium te Antwerpen waarop hij echter niet inging. Bij koninklijk besluit van 27 augustus 1920 wordt De Boeck eervol uit zijn ambt van leraar ontslagen. Hij wordt diezelfde dag benoemd als leraar praktische harmonie aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Brussel. Hij verving tevens voor een periode Paul Gilson als inspecteur van het muziekonderwijs voor het Nederlandstalige taalgebied. In 1921 wordt August De Boeck benoemd tot directeur van de Stedelijke Muziekacademie te Mechelen.
Uit 1911 dateert nog zijn kindercantate ‘Gloria Flori’ en uit 1912 zijn ‘Marche Jubilaire’. De cantate ‘Conscience Herdacht’ componeerde hij ter gelegenheid van de Consciencefeesten van 1912. In december 1912 hebben de eerste uitvoeringen plaats van het ballet ‘La Phalène’. Zijn laatste opera ‘La Route d’Emeraude’ werd voor het eerst opgevoerd te Gent in 1921.
In 1920 wordt De Boeck 55 en wordt hij als corresponderend lid opgenomen als lid van de Koninklijke Academie van België. Zijn benoeming als lid volgde in 1924.
In 1927 wordt hem het ere-voorzitterschap van de Koninklijke Harmonie van Merchtem opgedragen. In 1929 componeerde hij naar aanleiding van het … bestaan van de harmonie zijn concertmars ‘Excelsior’. Zijn ouverture ‘Vrijheidsgeest – Libertas’ dateert ui 1935.
In 1930 wordt Meester De Boeck eervbol ontslag verleend uit al zijn ambten en zal hij zich terug te Merchtem vestigen. Op zaterdag 9 oktober 1937 sterft August De Boeck op 72-jarige leeftijd.








