Writings
- Portrait of Pieter Leemans (1897-1980)
- July 30 2009
Pieter Leemans werd geboren in Schaarbeek op 31 mei 1897 en overleed op 10 januari 1980 in Sint-Lambrechts-Woluwe.
Leemans begon zijn muzikale studies aan de muziekacademies van Sint-Joost-ten-Noode en Etterbeek en studeerde daarna piano, harmonie, contrapunt, orkestratie en compositie aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Brussel bij onder andere Richard Kips, Martin Lunssens en Paul Gilson (1865-1942). Tijdens zijn legerdienst van 1920 tot 1922 speelde hij althoorn in het fanfareorkest van het 4de Regiment Carabiniers. Hij gaf toe dat hij in deze periode niet hield van de militaire marsen. Toen de kolonel van dit regiment Leemans vroeg om een mars te componeren bleef zijn vraag onbeantwoord.
Na zijn studies werd hij muziekleraar aan het Atheneum te Schaarbeek (van 1922 tot januari 1957) en later aan de muziekacademie van Etterbeek. Op 23 augustus 1922 trouwde Pieter Leemans met Marguerite Louise Gielen. Als leraar aan het Atheneum te Schaarbeek componeerde Leemans heel wat liederen (meestal op Nederlandstalige teksten) die hij als studiemateriaal tijdens het lesgeven gebruikte. Ook het schoolkoor dat bestond uit zo’n 300 leerlingen had o.l.v. Pieter Leemans een goede reputatie.
In 1932 werd hij door het N.I.R (de toenmalige nationale radio-omroep) aangeworven als pianist, dirigent en programmator. Hij werd er eerst dirigent van het klein orkest en nadien solist-concertant-begeleider van de radiorecitals. Het klein orkest van Pieter Leemans bestond aanvankelijk uit 12 muzikanten, in 1934 werden zeven leden toegevoegd en werd het omgevormd tot ‘genreorkest’. In deze periode componeerde hij zeer veel genremuziek voor klein orkest op maat van de bezetting die voorhanden was. Bovendien was hij vast jurylid voor de radio-audities en tijdelijk belast met het voorzitterschap van de auditiecommissies voor ernstige muziek.
Zijn eerste werken voor blaasorkest schreef Pieter Leemans in samenwerking met Franz Wangermée (1894-1967; vanaf 1919 eerste trompettist bij de Muziekkapel van de Gidsen en van 1946 tot 1948 kapelmeester) die hem hielp bij de typische orkestratieproblemen voor deze bezetting. Bij deze eerste werken vernoemen we de marsen De Vrijheidsweg/Liberty Way (opgedragen aan degenen die deze triomfweg volgden) en Valeureux Liégeois (een parafrase op het Waals volkslied van Gilles-Joseph Evrard Ramoux (1750-1826) en opgedragen aan ‘onze vurige Luikse vrienden’) en de ‘ouverture brillante’ Salvius Brabo. In opdracht van Franz Wangermée componeerde Leemans in 1949 nog de mars De Vrolijke Fluiters/The Happy Whistlers voor de ‘Harmonie Royal des Invalides’ waarvan Wangermée dirigent was. Met de nodige muzikale knipoog laat hij de opdrachtgevers het eerste thema ‘leggiero con humour’ fluiten in plaats van marcheren.
Met zijn marsen won Pieter Leemans tal van wedstrijden en zijn eerste doorbraak kwam er naar aanleiding van de Wereldtentoonstelling van Brussel in 1935. In 1934 won hij de wedstrijd voor de Officiële mars van de wereldtentoonstelling van 1935 en in 1935 won hij nog de wedstrijd voor de mars ‘Oud-Brussel’.
Nooit werd er tijdens een internationale wereldtentoonstelling meer aandacht geschonken aan de muziek dan in 1935. De ‘Société de l’Exposition’ organiseerde onder andere een compositiewedstrijd voor de officiële mars van de Expo 35 die volgens het reglement ‘eenvoudig, gemakkelijk te onthouden, en opgewekt moest zijn omdat ze populair moest worden’. Onder de binnengestuurde marsen maakte een jury onder het voorzitterschap van Paul Gilson een eerste selectie. Deze weerhouden marsen werden voor het eerst in het openbaar uitgevoerd op 4 augustus 1934 in het Park van Brussel door de ‘Harmonie Communale’ onder leiding van Théo Mahy. De omslag met als kenspreuk een ‘vraagteken’ werd de winnaar. De Officiële Mars der Wereldtentoonstelling van Brussel 1935 van Leemans onderscheidde zich van de andere inzendingen door zijn ‘originele inspiratie en door zijn waardevolle kunstwaarde’. De originele inspiratie vinden we onder andere bij de herhaling van het eerste thema waar Leemans het nationale volkslied, de ‘Brabançonne’ gebruikt als tegenthema. Deze mars is opgedragen aan Adolphe Max, minister van Staat, burgemeester van de stad Brussel en voorzitter van het comité van de wereldtentoonstelling.
Een jaar later won Pieter Leemans ook de compositiewedstrijd voor de Officiële Mars van Oud-Brussel 1935. De muziekkapel van de Gidsen speelde o.l.v. Arthur Prévost de marsen tijdens een concert op de Brusselse Grote Markt. De omslag met de kenspreuk ‘Pourquoi Pas’ was de mars van Pieter Leemans. Oud-Brussel was het amusementsgedeelte van de expo waar vooral het culinaire en het plezier maken centraal stonden in een soort Breugheliaans historisch decor. Bij de ‘Marche Officielle Vieux-Bruxelles’ hoort ook een kleurrijke tekst van Leemans waarin de culinaire en amoureuze avonturen in Oud-Brussel beschreven worden. Geheel in overeenstemming met de sfeer van Oud-Brussel gebruikt Leemans als overgang na het eerste thema het Brusselse volkslied ‘Mie Katoen’. Deze mars is opgedragen aan Frans Thys, voorzitter van het comité Oud-Brussel en alle andere leden van het comité.
In 1943 won hij een wedstrijd voor schoolliederen. In 1945 viel hij opnieuw in de prijzen met ‘Voor een held - Dirge for the Fallen Heroes’, een mars ter ere van de oorlogsslachtoffers van de tweede wereldoorlog. Deze wedstrijd was uitgeschreven door het N.I.R. en Pieter Leemans werd winnaar uit 102 inzendingen in de categorie treurmarsen. Zijn mars V kreeg een troostprijs in één van de andere categorieën. Opmerkelijk in deze mars zijn de majestueuze inleiding in het koper en de uitgebreide orkestbezetting met gebruik van harp en orgel (ad libitum). Vermits deze mars geen prijs won liet Leemans ze ook onaangeroerd liggen met als titel enkel zijn kenspreuk ‘V’. Hij zal nadien wel heel wat compositorisch materiaal recycleren voor zijn ‘Parachutistenmars’ en ‘Atomium’. Let ook op het trio-gedeelte in half tempo en opnieuw een citaat van de ‘Brabançonne’ in de coda.
Leemans werkenlijst omvat verder heel wat koor- en orkestwerken. Daarnaast schreef hij nog een heel aantal partituren voor luisterspelen. In opdracht van het Ministerie van Openbaar Onderwijs schreef hij filmmuziek en ook het Franse Commissariaat voor Marokko verzocht Leemans om muziek voor een tiental documentaire films te componeren.
Zijn tweede doorbraak kwam er in 1945 met zijn wereldberoemde ‘Parachutistenmars’, opgedragen aan het ‘heroïsche regiment van Belgische Parachutisten en hun dappere chef, Kolonel Edouard Blondeel’. Bij het ontstaan van de mars hoort het volgende verhaal.
In 1944 had Generaal-Majoor François Temmerman (1897-1981) Blondeel geholpen met een inkwartiering in het Brusselse. Een jaar later nam Temmerman opnieuw contact met hem op met de vraag of zijn regiment niet dringend een mars nodig had. Temmerman suggereerde Leemans als componist gezien zijn succes met de mars voor de Wereldtentoonstelling van 1935. Er wordt contact opgenomen met de componist en er vindt een bijeenkomst plaats waarop hij kennis maakt met Blondeel en enkele van zijn officieren. Het lijdt geen twijfel dat Leemans voor zijn mars een thema zocht dat met de parachutisten nauw verband houdt ofwel uitgaat van een voor hen vertrouwde melodie. ‘Werd er dikwijls gezongen tijdens het marcheren ?’ vraagt Leemans. ‘Hadden jullie een lievelingslied, één dat meer gezongen werd dan andere ?’ De officieren denken na… ‘Ik geloof het niet’ zegt de commandant van het regiment, die trouwens nooit erg in zijn schik is geweest met het repertoire van zijn mannen… Leemans laat de moed niet zakken : ‘Waar waren jullie ingekwartierd in Groot-Brittannië ?’ De officieren hadden keuze te over : Leamington, de sprongen in de omgeving van Manchester, de verloven in Londen, manoeuvres in de vlakte van Salisbury, …. Teveel voor de componist die een nieuwe poging waagt : ‘en waar waren jullie gelegerd voor jullie in operatie vertrokken ? En allen uit één mond : in Schotland !.
Nu is het de beurt aan Pieter Leemans om na te denken : ‘ik zal zien wat ik kan doen’ zegt hij tenslotte. Enkele weken later ontvangt hij bij hem thuis in Brussel de Kolonel en enkele officieren vergezeld van hun dames. De componist gaat aan de piano zitten en speelt het thema van de mars die hij gecomponeerd heeft. Er wordt in de handen geklapt wanneer het stuk uit is, maar het gezelschap lijkt ietwat onthutst. Leemans echter geeft zich niet gewonnen. ‘Natuurlijk klinkt dat heel wat beter wanneer het door een militaire muziekkapel wordt gespeeld. Jullie gaan het nu direct beter kunnen beoordelen’. Een man met een baard en een blokfluit in de hand, komt naar voor en speelt de prelude van de mars die dan, door fluit en piano samen, verdergezet wordt. Blondeel is voorzichtig in zijn beoordeling : ‘Origineel, jawel, origineel…. Tenslotte waren de parachutisten ook non-conformisten. Maar de fluit ?’ Pieter Leemans legt uit : ‘Jullie vertrokken uit Schotland. Het land waar de doedelzak in de bergen galmt of aan de rand van een meer. Maar in België hebben de militaire muziekkorpsen geen doedelzakken. Vandaar de fluit, die ongetwijfeld ook door Schotse herders bespeeld wordt.’ Enigszins verzonken in hun mijmeringen verlieten de leden van het gezelschap de musicus om hem terug te ontmoeten op 8 mei 1946.
Op die dag werd de Mars van de Parachutisten voor het eerst in het openbaar uitgevoerd
door de Muziekkapel van de Gidsen onder leiding van Luitenant Franz Wangermée tijdens een galaconcert in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten. Dit concert werd aangeboden aan de oudstrijders en leden van de weerstand, krijgsgevangenen en politieke gevangenen ter gelegenheid van de eerste verjaardag van V-day en van de vierde verjaardag van de stichting van het Belgisch Parachutistenkorps. Sinds die dag begon deze mars zijn triomfantelijke loopbaan. In een omzendbrief van 9 september 1946 erkende de Defensieminister de mars van Leemans als officiële mars van het regiment Parachutisten SAS. Leemans zelf vertelt over de mars in de originele uitgave het volgende :
‘Het is bijna een traditie marsen van het begin tot het einde ‘uit volle longen’ te blazen. Deze mars echter, vol tegenstellingen en schakeringen, eist een verzorgde uitvoering met nauwgezette inachtneming van alle interpretatietekens.’
In 1946 componeerde Leemans de Mars van de Commando’s die hij opdroeg aan ‘de moedige Belgische Commando’s en hun dappere chef Colonel Danloy’. Nog hetzelfde jaar werd de mars als officiële mars erkend. Voorafgaandelijk had hij Luitenant-Kolonel Georges Danloy ontmoet en hem vragen gesteld over de training, de opdrachten en de veldtochten van de eenheid. De sfeer van de eenheid vond dan ook goed haar weerklank in de sfeer van de mars.
Over deze mars zei Leemans zelf het volgende :
‘Ik heb deze mars opzettelijk zwaarder en feller afgetekend doen klinken. Ook heb ik het accent hierin op de zwakke tijd gelegd, zodat veel luisteraars wel verbaasd zullen opgekeken en gedacht hebben : is dat wel marsmuziek ? Diezelfde opmerking was trouwens al gemaakt geworden voor de mars der Parachutisten. Van verschillende zijden werd me gezegd dat in een fatsoenlijke mars behoorlijk moest geroffeld worden en dat was bij mij niet het geval. Mijn bedoeling was echter het genre een nieuwe richting uit te sturen.’
Van zijn andere militaire marsen vermelden we nog :
-) Colonel Paddy opgedragen ter nagedachtenis van Colonel Paddy Mayne, een legendarische kolonel uit de SAS (Special Air Service), een kleine maar zeer efficiënte interventiemacht van het Britse leger.
-) Belgian Air Force een mars uit 1948 ‘ter ere van de Belgische luchtmacht’. Bij de inleiding tot het trio-gedeelte gebruikt Leemans een toonladderfiguur ‘die zoals een raket moet schieten tot in de hemel van het orkest’. De mars werd echter niet als officiële mars van de luchtmacht aanvaard.
-) Mars der Belgische Kantonniers opgedragen aan ‘alle Belgische Kantonniers en aan mijn sympathieke vriend de Kapitein André Mertens’. Kantonniers waren arbeiders die de provinciale en rijkswegen onderhielden.
-) Mars van het Lichte Vliegwezen – Deze moderne militaire mars schreef Leemans in 1966 ter gelegenheid van de 5Oste verjaardag van de oprichting van het 6de Waarnemingsescadrille. Het lichte vliegwezen van de landmacht nam de tradities over van bovengenoemd excadrille. Met deze mars won Leemans in 1967 opnieuw een compositiewedstrijd. In het trio-gedeelte gebruikt Leemans toepasselijk het volkslied ‘Alouette, gentille alouette’, uit de Haute-Savoie, een mooie verwijzing naar de gelijknamige lichte helikopter. Deze mars is opgedragen aan Kolonel André Bruart.
In 1947 was hij de Belgische afgevaardigde voor de normalisatie van de muzieknotatie in Genève.
In 1958 won hij uit 109 inzendingen zowel de eerste als de tweede prijs in een wedstrijd voor de officiële mars voor de wereldtentoonstelling van 1958 te Brussel. Deze eerste grote wereldtentoonstelling na de oorlog telde meer dan 42 miljoen bezoekers en had ook veel aandacht voor de muziek. Zo speelde onder andere het orkest van Benny Goodman van 25 tot 30 mei in het Amerikaans Theater. Dit orkest had onder meer Leemans’ ‘Parachutistenmars’ op haar programma en zorgde nadien voor het bekend geraken van deze mars in Amerika. De versie van Benny Goodman is sedertdien een moeilijk terug te vinden juweeltje.
Toen Leemans zijn eerste mars (Atomium) klaar was leek hem die al te plechtig, een beetje te zwaar en niet genoeg in het oor liggend en daarom besloot hij om nog een tweede in te sturen, meer aan de lichtere kant. Deze laatst geschreven mars sleepte de uiteindelijke eerste prijs in de wacht. De zes geselecteerde marsen werden op 17 november 1956 gespeeld in Studio 4 van het N.I.R. door de Muziekkapel van de Zeemacht onder leiding van Jos Hanniken.
Zijn ‘Officiële Mars van de Wereldtentoonstelling Brussel 1958’ is opgedragen aan Baron Moens de Fernig, commissaris-generaal van de wereldtentoonstelling. De mars ‘Atomium’ is een hulde aan het gelijknamige spectaculair monument dat bestaat uit een stalen gebinte met negen onderling verbonden bollen met aluminium bekleed. Deze mars is opgedragen aan E. Grenier en André Waterkeyn, afgevaardigd-beheerders van ‘deze merkwaardige creatie’.
In opdracht van de Stedelijke Raad voor Cultuurbeleid van de Stad Izegem componeerde Leemans in 1964 zijn festivalmars ‘Boos Izegem’. Van bij het begin besteedde het organiserende feestcomité van dit ‘Herfsmuziekfestival’ aandacht aan de compositie van nieuwe marsen die dienden als apotheose van het festival. Zo werd op zondag 20 september 1964 de mars Boos Izegem gecreeërd. Izegem draagt de bijnaam ‘Boos Izegem’ wat in het Izegems dialect ‘slim, vernuftig, schrander, vindingrijk en schalks’ betekent.
Na zijn pensioen op 1 juni 1962 zal Pieter Leemans nog met regelmaat meestal grotere concertwerken voor blaasorkest in opdracht componeren waaronder ‘Rapsodisch Divertimento – Divertissement Rhapsodique’, de ‘Valeriussuite’, ‘Twaalf profielen’ en ‘Spokendans’.
In 1973 nam Pieter Leemans voor een laatste maal deel aan een marsenwedstrijd. Zijn mars Uilenspiegel was één van de inzendingen voor de E.R.U. (European Broadcasting Union) compositiewedstrijd voor marsen die plaatsvond te Lausanne (Zwitserland) op 15 en 16 november 1973. In de herfst van 1973 had de Muziekkapel van de Gidsen deze mars ingespeeld tijdens een studio-opname onder leiding van Yvon Ducène. Als kop van het eerste thema gebruikt Leemans de ritmische variant van ‘l’espiègle – Uilenspiegel’ als ritmisch motief.
Naast de reeds vermelde marsen vinden we op deze marsen-CD nog twee marsen in ‘lichtere stijl’, nl. Lignatone, een mars die Leemans componeerde voor zijn uitgever Joseph Buyst die ook de gelijknamige ‘Lignatone’-instrumenten verkocht, een Tsjechoslovaaks merk dat ontstond uit het samengaan van de merken Graslitz en Schoenbach. De mars Derby, eerst ‘Majorette Parade’ getiteld, componeerde Leemans in 1967 oorspronkelijk voor brassbandbezetting.
Tekst : Luc Vertommen








