Writings
- Derek Bourgeois en zijn Concerto Grosso.
- August 08 2009
Derek Bourgeois : over zijn inspiratie en zijn Concerto Grosso opus 61a.
Derek Bourgeois werd geboren in 1941 in het Zuid-westen van Londen. Na zijn studies in de Britse hoofdstad werd hij van 1971 docent in het westen van Engeland aan de universiteit van Bristol.
Het was Elgar Howarth die hem een aanzet gaf in de jaren 1970 tot het schrijven van een aantal imposante werken voor brassband waaronder zijn Concerto Grosso. Tot die tijd had hij nog nooit een brassband gehoord en vooraleer hij in 1971 zijn Concerto Nr. 1 componeerde had hij van Elgar Howarth enkel een lijst met de instrumentatie en de LP 'Pop goes the Posthorn' met de Grimethorpe Colliery als startpunt. Gewapend met deze informatie bewerkte hij zijn sonate voor twee piano's tot het Concerto Nr. 1. Zijn beperkte brassbandkennis van dat moment verklaart aldus Bourgeois waarom dit werk zo eigenzinnig is georkestreerd : 'ik wist gewoon niet beter op dat moment'. Het jaar nadien componeert hij een heus concerto voor koperkwintet en brassband voor het Philip Jones Brass Ensemble en in 1976 zijn Concerto Nr.2 - een onvolprezen meesterwerk en een goed bewaard brassbandgeheim. Dit -bijna onspeelbare' werk werd voor het eerst uitgevoerd door de vereende krachten van de Black Dyke Mills Band en de Grimethorpe Colliery Band in de St. Andrew's Hall te Norwich tijdens het Triennial Festival in oktober 1976. De componist herinnert het zich nog wonderwel : 'normaal zou ook Elgar Howarth dit concert dirigeren maar hij vroeg me letterlijk op het allerlaatste moment wanneer ik in de zaal toekwam om de première zelf te dirigeren. Het was een shock voor mij omdat ik het werk niet had voorbereid zoals een dirigent dit zou doen ! We geraakten echter veilig en wel aan het einde !. Later werd het stuk nog één keer hernomen door dezelfde uitvoerders (dit keer wel met Elgar Howarth als dirigent !) tijdens een Promsconcert in de Royal Albert Hall.
De inspirerende figuur van Elgar Howarth speelde ook een rol bij het tot stand komen van de originele versie voor koperensemble van Concerto Grosso, zijn opus 61 uit 1979. Het werd door Elgar Howarth en het Philip Jones Brass Ensemble uitgevoerd op 16 oktober 1981 in de Londense Queen Elisabeth Hall op Bourgeois' 40ste verjaardag. Hij had bij het componeren de bijzondere uitvoerders in gedachten : de bluesy bugelsolo voor Philip Jones, de bijna onspeelbare tubacadens voor de legendarische John Fletcher en de hoornsolo's in het eerste deel voor Ifor James.
Door zijn werkzaamheden aan de universiteit van Bristol komt hij in contact met de beroemde Sun Life Band die hij zal dirigeren van 1980 tot 1983. Het is uiteindelijk voor dit orkest dat hij de versie voor koperensemble bijna letterlijk zal transcriberen. Zij voerden het voor het eerst uit tijdens een BBC opname in 1982 en nadien nog live tijdens de Bristol Promenade Concerten. Bourgeois veranderde slechts enkele essentiële zaken. De solo's bedoeld voor hoorn en tuba werden aangepast aan de mogelijkheden van de muzikanten uit zijn orkest. Voor de hoge tessituur krijgt de Es bas hulp van de euphonium, voor de lage pedaalnoot van de Bes bas. De hoornsolo wordt een cadenza voor euphonium (toen de legendarische Lyndon Baglin) afgewisseld met de hoorns. Alle dirigenten die zorgvuldig de CD met de originele versie hebben beluisterd (een geweldige opname met de kopers van het Concertgebouworkest en Ivan Meylemans) zullen deze verschillen zeker hebben gehoord en géén basspeler die deze aanpassingen zal betreuren... Ook de kleine ritmische aanpassingen net voor de cadens van de Es bas paste Bourgeois aan volgens de mogelijkheden van zijn orkest. De originele bugelsolo voor Philip Jones bleef echter ongewijzigd, dit tot studieplezier van menig Nederlandse bugelspeler allicht de laatste maanden. Hij voegde ook slagwerk toe zij het zeer beperkt. Mocht hij de transcriptie vandaag kunnen overdoen zou de componist misschien iets toevoegen maar hij is er van overtuigd dat er genoeg slagwerk aanwezig is. Met dit argument zijn allicht niet alle Nederlandse slagwerkers het eens.
Na deze twee uitvoeringen verdwijnt Concerto Grosso in de vergetelheid. Waarschijnlijk zijn de moeilijkheidsgraad en de duur hier niet vreemd aan zeker in een periode waar een 'test piece' meestal maar 12 tot 13 minuten duurde. Het werd in 1991 nog eens gespeeld door de Grimethorpe Colliery Band en Frank Renton voor het BBC Festival of Brass. Het werk kwam pas echt opnieuw in de aandacht toen Howard Snell het in 1997 speelde met de Eikanger Bjorsvik Band als keuzewerk tijdens de Europese Brassbandkampioenschappen. De meest markante live-uitvoering werd allicht die door de Yorkshire Building Society Band en David King tijdens de Europese Brassbandkampioenschappen van 2002 in Brussel. Ze namen het werk het jaar nadien op voor hun legendarische 'Bourgeois in Brass' CD. Sindsdien is het een werk dat regelmatig als keuzewerk uit de kast wordt gehaald vaak met wisselend succes. Ofwel is het een werk dat inslaat als een bom en iedereen met verstomming slaat ofwel verslapt de aandacht, struikelen sommige solisten over de moeilijkheden in de cadenzen en maakt het werk een mindere beurt. Het is de eerste keer dat Concerto Grosso als plichtwerk wordt gebruikt en het wordt voor publiek en jury een prachtige avond om uit te maken wie de talrijke moeilijkheden het best weet te beheersen of te omzeilen.
Ik had het ook even met de componist over de typische moeilijkheden van dit werk en we vroegen ons tesamen af welke bands de beste antwoorden konden geven op de volgende vragen :
- Wie slaagt erin om de energie van het eerste deel het best de zaal in te krijgen ?
- Welke solisten zijn het best opgewassen tegen de lastige cadenzen ?
- Wie kan het meeste controle en stijl etaleren in het middendeel ?
- Welke bugelspeler kan het best Philip Jones doen herleven met de muzikaliteit en de koele -bijna geïmproviseerde- bugelsolo ?
- Wie slaagt erin om de 'fun' en de lichte stijl in de finale te doen spetteren ?
- Wie slaagt er op het einde van zo'n lange avond in om de Martini Plaza ademloos te boeien en de spanningboog die het werk draagt het best tot op het einde vol te houden ?
Bourgeois zelf denkt bij het beoordelen van zijn eigen werk nooit zo analytisch na. Hij citeert graag Edward Elgar die in de jaren 1930 op de vraag waarom hij die specifieke winnaar had uitgekozen voor zijn 'Severn Suite' kort en eenvoudig antwoorde : 'omdat ik van die uitvoering het meest heb genoten'.
Bourgeois' vier grote concerti voor brassband uit de jaren 1970 worden niet zo dikwijls gespeeld. Het verbaast hem nu een beetje dat toen iedereeen kloeg dat er al voldoende test pieces waren van 10 minuten en de bands wel eens iets langer wilden. De realiteit heeft echter uitgewezen dat de bands deze lange stukken niet speelden omdat ze niet konden worden gebruikt op een wedstrijd. Zelf heeft hij er eigenlijk nooit bij stil gestaan op welke manier hij er telkens weer in slaagt om zulke kanjers (zowel in duur als in moeilijkheidsgraad) uit zijn pen te toveren. Te midden van zijn werkenlijst staan ook immers nog 43 (!) symfonieën. Voor Bourgeois bestaat geen recept voor deze lange werken, enkel de combinatie van inspiratie - hard dagelijks werk en een vlotte componeerstijl. Bovenal vindt hij het moeilijk om op deze vraag te antwoorden : hij
heeft zijn eigen compositieproces eigenlijk nooit geanalyseerd :'ik schrijf ze gewoon !'
Zijn latere werken als Blitz en The Devil and the Deep Blue Sea worden geregeld gespeeld op wedstrijden. Maar het is de wens van Bourgeois dat een band met ambitie ooit deze vergeten concerti zou op CD uitbrengen. Wie weet...
Ook zou de componist eens graag zijn Apocalyps zien als plichtwerk of een opname van zijn 'Lac Leman'.
Nederland is voor Bourgeois geen onbekende. Ik herinner mij vooral zijn 'Triple Dutch' - 'Lac Leman' en 'Fun-fair' voor fanfareorkest uit 2003 maar zijn eigen herinneringen gaan nog een stuk verder terug in de tijd.
Zijn vroegste herinneringen gaan terug tot in 1981 toen het Nederlands Kamerorkest met Kees Bakels en solist Duncan McTier zijn contrabasconcerto speelden. Hij bracht ook het Engels Nationaal Jeugdorkest (hij was er na zijn tijd aan de universiteit van Bristol jaren
muziekdirecteur) tweemaal naar het Concertgebouw waar ze in de jaren 1980 onder andere Shostakovich' Vierde symfonie, Elgar's Falstaff en Stravinsky's volledige balletmuziek bij de 'Vuurvogel' speelden. Bovendien is hij dankzij de samenwerking met de Belg Louis Martinus, die hem de laatste 20 jaar weet te inspireren en zorgt voor de uitgaves van zijn grote werken voor harmonieorkest een geregelde gast in België. De laatste jaren leefde hij op Mallorca op 'semi-retirement' samen met zijn eerste vrouw Jean die er twee jaar geleden na een slepende ziekte overleed.
Het 'half-pensioen' van Bourgeois is relatief als je ziet dat hij momenteel werkt aan zijn 44ste symfonie ! Hij staat ook nog steeds paraat voor de brassbandwereld maar schrijft enkel iets 'als ze het me vragen' en de laatste jaren is daar blijkbaar niemand meer opgekomen... Hij is het meest onder de indruk van het technische meesterschap van de brassbandmuzikanten zowel in de klank als de stijl. Eén van zijn meest uitgevoerde stukken blijft naast zijn Fantasy Pieces voor verschillende instrumenten en zijn Tromboneconcerto ongetwijfeld zijn Serenade.
Oorspronkelijk was het een orgelwerkje voor zijn eigen huwelijk in de zomer van 1965. Het toeval wil dat hij momenteel de muziek schrijft voor zijn tweede huwelijk -spijtig genoeg niet voor brasband- op tekst van zijn aanstaande tweede vrouw Norma Torney.
We wensen Derek Bourgeois nog een gelukkig 'retirement' en een goed huwelijk. Hij doet Nederland de groeten vanuit zijn nieuwe thuishaven New York en
wenst de bands en de toehoorders het allerbeste met zijn Concerto Grosso.
Luc Vertommen








